Wandeling door Diest, Februari 2017.


Vanaf de parking Halve Maan gaan we via een bruggetje over de Begijnenbeek langs “Het Gasthof 1618” naar het Begijnhof.
We passeren  de Sint-Catharinakerk en gaan onmiddellijk naar de Ezeldijkmolen waar een toelichting gegeven werd over de opengelegde Demer en het Demerbekken zelf.
We wandelen verder via de opengelegde Demer tot aan het AZ – Ziekenhuis.
Het AZ- Ziekenhuis is echter wel op de oorspronkelijke bedding van de Demer gebouwd, een kleine creatieve omleiding werd aan de heropening van den Demer er noodgedwongen aan toegevoegd.
We stappen ook even in het Park Van Cerckel waar we de mooi gerestaureerde brug bewonderen.
We volgen terug de oude Demer en komen in de buurt van het Refugehuis abdij van Averbode.
In een aanpalend pand eigendom van Felice (Dré Steemans) nam Jeroen Meus enkele tijd terug zijn programma op van de Dagelijkse Kost.
We trekken verder naar de Kaai en de Zichemse poort waar we enkele foto’s maken van een kunstwerk, een Diestenaar bracht ( opgeviste eiken balken uit de oude Demerbedding) samen in een bootje….
Hans, met de Hollandse Roots, krijgt het blijkbaar op de heupen en stapt verder richting monding van de opengelegde Demer naar de oorspronkelijke Demer….
Omdat er niets speciaals te zien is  kunnen we hem toch overtuigen en keren terug naar de kaai waar we in een wreed oud cafeetje “ ’t  Puur Genot “ waar we een drankje nuttigden, de hondjes die mochten van hun baasje en zij die het lusten kregen een worstje! Met dank aan de uitbaatster!

Dan een afslag naar de Grote Markt waar we de Sint Sulpitiuskerk, Stadhuis en verschillende andere mooie oude gebouwen bekijken. Hans vroeg zich toch af wat we hierover nog te vertellen hadden?
Dan terug naar links en we bekijken even het Spijker, enkele jaren terug mooi gerestaureerd, dit  is een prachtig gebouw en was vroeger een refugiehuis en graanopslagplaats van de abdij van Tongerlo. Het dateert uit de 16de eeuw en werd gebouwd aan de splitsing van de Demer. Het gebouw deed ook dienst om de tienden van het graan in op te slaan.
 Dus de boeren moesten toen 10% graan afstaan, belastingen…., en wat betalen we nu?
Via de Michel Theysstraat keren we terug naar het Begijnhof.
In de Michel Theysstraat liep vroeger ook een arm van de Demer, het noemde toen echter de Verversgracht.
Dit stuk was in mijn ogen het mooiste stuk van de Demer in de Stad.
Na demping zijn er aan de overkant huizen, kantoren enz…gebouwd zodat het waarschijnlijk onbetaalbaar was om dit te onteigenen …
Een goede oplossing denk ik want dit project is betaald met mijn- en uw geld.
We komen nadien terug op het begijnhof met in mijn ogen prachtige gebouwen, Hans een beetje zenuwachtig probeerde een uitweg te zoeken in deze enge straatjes, uiteindelijk raakten we terug op de parking en hopelijk zien we allen en de afwezigen terug op de volgende wandeling, zie de agenda…


Voor enkele foto’s van deze wandeling klik je hier.

Speciaal voor de geïnteresseerden en zeker voor Hans kunnen jullie wat van de historiek nalezen op het onderstaande.

 


Het begijnhof
Het begijnhof van Diest werd in 1253 gesticht door Arnold IV. Het begijnhof van Diest is een van de oudste begijnhoven in België. Net zoals in andere steden werd het begijnhof gebouwd op goedkope en onvruchtbare gronden buiten het centrum van de stad.
Anders dan veel andere begijnhoven is dit begijnhof gebouwd als een ministad met straten. De huizen bevinden zich dus niet rond een centraal plein.
Het begijnhof werd bewoond door begijnen tot ergens in de 19de eeuw. Nog voor de tweede wereldoorlog waren er geen begijnen meer in het begijnhof van Diest.

Wat zijn begijnen?

Begijnen (Ook wel begarden of bogaarden genoemd) waren vrouwen of mannen die alleen leefden en deel uitmaakten van een soort lekengemeenschap binnen de katholieke kerk.
Het waren dus geen nonnen of paters. Wel waren zij natuurlijk erg godsdienstig. Ze legden dus geen eeuwige gelofte af zoals pastoren, nonnen of paters. Maar wel een gelofte van kuisheid.
Ze mochten ook bezittingen hebben zoals bijvoorbeeld geld of huizen en waren ook verantwoordelijk voor hun eigen levensonderhoud. 

Geschiedenis van het Begijnhof van Diest

Na de oprichting van het begijnhof in 1253 door Arnold IV Heer van Diest werd het begijnhof steeds groter. Maar pas in de 17de eeuw kende het begijnhof zijn grootste groei. In 1538 werd Nicolaas van Essche Pastoor van het begijnhof en ging met de groffe borstel door de wijk. Hij vond dat de begijnen teveel handel dreven met de stadbewoners en teveel zondigden door zich te laten verleiden door de charmes van het stadleven. De pastoor stelde nieuwe statuten op en kwam met ingrijpende hervormingen op de proppen:

  1. Contacten en handel tussen stadsbewoners en begijnen moesten tot het minimum worden beperkt.
  2. Een weg die door het begijnhof liep en door de stadsbewoners gebruikt werd afgesloten. Er kwam een andere weg rond het begijnhof voor in de plaats.
  3. Het begijnenkleed werd zwart in de plaats van grijs

Zowel de begijnen als de stadsbewoners voelden zich benadeeld en stapten naar de schepenbank, zelfs de inquisitie kwam er aan te pas. Maar het mocht niet baten want de pastoor werd in 1548 vrijgesproken. Intussen ging de pastoor gewoon door met zijn hervormingen. Hij moedigde de begijnen ook aan om toe te treden tot het klooster der grauwzusters. Hij liet vele gebouwen afbreken en andere gebouwen kwamen daarvoor in de plaats.
De nieuwe gebouwen werden gebouwd in bak- en zandsteen die in de buurt van Diest gemaakt werden. Ze werden geplaatst volgens een rechtlijnig schema van de kerk met het plein en de infirmerie als middelpunt. Het begijnhof werd afgesloten van de rest van de stad door twee barokke poorten. In 1578 stierf Nicolaas van Essche en kwam er een andere pastoor.
Eind 16de eeuw kreeg het begijnhof een meer kloosterachtig karakter. Daardoor kende het begijnhof in de 17de eeuw een spectaculaire groei. In 1675 woonden er zelfs 400 begijnen in het begijnhof van Diest. Tijdens deze periode werden ook de meeste huizen en andere gebouwen in het begijnhof gebouwd. Door de isolatie van de begijnen nam de invloed van de pastoor enorm toe. Er kwam een einde aan het eigenzinnige en zelfstandige karakter van het begijnenleven. Maar er bleven nog steeds grote verschillen tegenover het kloosterleven. Zo mochten begijnen nog steeds dingen bezitten en moesten ze zelf aan geld geraken om te overleven.

Het einde van de begijnen

In het eind van de 18de eeuw tijdens de Franse revolutie werd het religieus leven van de stad aan banden gelegd en het gehele begijnhof werd eigendom van de "Commission des hospices civils" (het OCMW van die tijd). Het begijnenwezen kende een enorme terugval. Na de Franse revolutie en de overeenkomst tussen de paus en Napoleon onstond er in het begijnhof een grote aanhang voor het stevenisme. Het Stevenisme was een katholieke beweging die deze overeenkomst afwees en verlangde naar de kerkbeleving van voor de Franse revolutie.
Dit bracht het begijnhof in ernstige problemen. Hierdoor werden de begijnen in 1813 zelf even uit hun begijnhof gezet. Na de val van Napoleon mochten ze terugkeren maar het was te laat want in de 19de eeuw stierf het begijnenleven een stille dood. Nog voor de tweede wereldoorlog waren er geen begijnen meer in het begijnhof van Diest. Het begijnhof kreeg toen al een andere bestemming. Sinds 1998 maakt het Begijnhof deel uit van de UNESCO lijst van werelderfgoed.

Wat valt er te zien in het Begijnhof van Diest

Als je onder de Rubensiaanse toegangspoort van het begijnhof loopt voel je meteen de sfeer van sereniteit, harmonie en het besloten karakter van het middeleeuwse begijnenleven. Er staan 90 huizen, de meeste zijn gebouwd in de 17de en 18de eeuw.
In een aantal huizen hebben kunstenaars hun atelier en in andere vinden nu allerlei culturele activiteiten plaats. De vroegere infirmerie en het Apostelenconvent zijn vandaag, samen met CC Den Amer, het cultureel centrum van Diest.
De Sint-Catharinakerk is één van de typische begijnhofkerken uit de 13de en 14de eeuw. Ze werd met eerder beperkte middelen opgetrokken en met een kleine vieringtoren gebouwd.
De kerk is toegewijd aan de heilige Catharina, wiens hulp werd ingeroepen bij brand- en huidkwalen. De Sint-Catharinakerk is gesloten vanaf 2013 wegens restauratie.


Ezeldijkmolen

werd gebouwd in 1553 in opdracht van Willem van Oranje, heer van Diest. Deze prachtige oude watermolen in Vlaamse renaissancestijl is gelegen in de Schaffensestraat te Diest op een arm van de Demer. Het gebouw is opgetrokken in rode baksteen en doorsneden met witte zandsteen. Het heeft de vorm van een Latijns kruis. Het heeft trapgevels aan de vier uiteinden. De langgevel staat recht op de Demer en bevat ook het Molenrad.
De vorige molen die op dezelfde plaats gestaan heeft werd al vermeld in 1334. De Ezeldijkmolen dankt zijn naam aan de ezels die vroeger bootjes voorttrokken over de Demer. De Ezels liepen uiteraard op de dijk en trokken de bootjes naar hun bestemming. Ze voerden vooral schors aan. Want de Ezeldijkmolen was oorspronkelijk een schorsmolen. Pas later werd hij omgevormd tot graanmolen. 
De Ezeldijkmolen werd nog gebruikt tot 1946 en deed daarna alleen nog maar dienst als sluis om de Demer te regelen. De omleiding van de rivier rond de stad en de demping van de arm in het stadscentrum maakte ook definitief een einde aan de sluisfunctie in de jaren zestig toen de Demer dichtgelegd werd op massaal verzoek van de bevolking. Reden: "De rivier was niet meer dan een open riool geworden en veroorzaakte ook flink wat geurhinder.". 
De Ezeldijkmolen werd volledig gerestaureerd in 1981 dankzij de VZW Ezeldijkmolen. Daarom is deze prachtige Molen vandaag de dag nog steeds te bewonderen. Helaas mag je er niet zomaar naar binnen. Maar de buitenkant is wel toegankelijk voor het publiek.
In september 2012 werd, tijdens de eerste fase van de werken om de Demer opnieuw in open bedding door Diest te laten stromen, het vroegere sluizencomplex aan de Ezeldijkmolen blootgelegd. Want de Demer zal binnenkort na meer dan 40 jaar gewoon weer door Diest stromen! En daarmee word ook de oude functie van de Ezeldijkmolen weer hersteld.
Het water dat nu door de opengelegde Demer loopt komt louter van de Begijnenbeek, vermoedelijk zal er een extra verbinding en sluis worden aangelegd om meer water te kunnen laten stromen in het nieuw opengelegd traject. Er moet dan een extra sluis voorzien worden waar de oorspronkelijke Demer destijds in de zwarte beek omgeleid werd.

Het Demerbekken

Is het grootste bekken van Vlaanderen en omvat 51 gemeenten. Het strekt zich voor twee derde uit over de provincie Limburg en voor één derde over de provincie Vlaams-Brabant.
Het Demerbekken maakt deel uit van het stroomgebied van de Schelde en situeert zich in het zuidoostelijk deel van het Vlaamse Gewest. Het zuidwesten van het bekken behoort tot de provincie Vlaams-Brabant,terwijl het noordoostelijke en tevens grootste gedeelte tot de provincie Limburg behoort. De bovenloop van bepaalde waterlopen, waaronder beide Getes, strekt zich uit tot in Wallonië. Het gedeelte van het Demerbekken in het Vlaamse Gewest, heeft een oppervlakte van 1.919 km². In zijn geheel is het hydrografisch bekken 2.334 km² groot.
De Demer ontspringt in Ketsingen, ten oosten van Tongeren in vochtig Haspengouw, stroomt aanvankelijk naar het noorden en buigt bij Bilzen af naar het westen. Via Hasselt, Zichem, Diest en Aarschot bereikt de rivier bij Werchter de Dijle. Het water van de Demer wordt via de Dijle, de Rupel en de Schelde afgevoerd naar de Noordzee.Zijrivieren zijn de Herk, de Velpe, de Zwarte Beek en de Gete die bij Halen in de Demer vloeit.
Vanaf Schulen, ten oosten van Diest, stroomt de Demer via talrijke meanders door een brede vallei waar ze water opvangt van de Hulpe, Motte en Winge. Veel van die meanders werden in dat gebied afgesloten.
Het Demerbekken wordt in het noordoosten doorsneden door het Albertkanaal, dat de Antwerpse haven met de Maas (Monsin-Luik) verbindt. Het Albertkanaal is 130 km lang en 43 km daarvan loopt door het
Demerbekken.
De Demer heeft in het verleden een belangrijke functie als vaarweg gehad. In de huidige situatie is de rivier echter niet meer geschikt voor (transport-)scheepvaart. Er is enkel nog scheepvaart op het Albertkanaal.
Historiek: vanaf de 17deen vooral in de 18 de eeuw ging men over tot het rechttrekken en bedijken van de hele Demer. De meeste bochten werden afgesneden tussen 1778 en 1850. Die bochtafsnijdingen waren niet zozeer bedoeld om overstromingsproblemen op te lossen, maar veeleer om de Demer als vaarweg te verbeteren en het vaartraject te verkorten.
Tot het midden van de 18 de eeuw was de Demer immers een van de belangrijkste verbindingswegen tussen het Hageland, het Land van Loon en de steden Aarschot, Diest, Zoutleeuw, Tienen, Mechelen en Leuven.
(Het graafschap Loon kwam grotendeels overeen met Belgisch-Limburg, met uitzondering van het Maasland en Lommel. De graaf van Loon leende sommige domeinen rechtstreeks van de koning van Duitsland, andere van de prins-bisschop van Luik en de overige van de hertog van Brabant)
Door de stroomrichting van oost naar west was de Demer voor de haven van Antwerpen ideaal om handelsbetrekkingen aan te knopen met het Rijnland.
In 1959 maakte ir. Roovers (ministerie van Openbare Werken) een nota betreffende verbeteringswerken voor betere waterafvoer van de Demer’. Deze nota gold lange tijd (tot voorjaar 1999) als leidraad voor de toenmalige waterwegbeheerder, de Administratie
Waterwegen en Zeekanaal (AWZ).
Samengevat moest de bevaarbare Demer tussen Diest en Werchter 95 m³/seconde kunnen bergen tussen haar zomerdijken. Bij een dergelijk hoog Demerdebiet mocht dan wel geen water aan de Demer meer toegevoegd worden tussen Werchter en Diest.
Dat hield in dat men de zijlopen van de Demer volledig moest kunnen opvangen, en daarvoor waren de betrokken besturen verantwoordelijk. Het idee van scheepvaart werd volledig verlaten.
In de winters 1965-66 en 1966-67 werd Werchter door zware overstromingen getroffen.
Naar aanleiding daarvan werden grondige verbeteringswerken aan Demer en Dijle in het vooruitzicht gesteld. Tegen 1970 zouden Dijle en Demer tussen Mechelen en Diest ingedijkt zijn. Eerst werd de Dijle
tussen Mechelen en Werchter bedijkt. Vanaf 1976 kreeg de Demer tussen Werchter en Aarschot verhoogde en verstevigde dijken, de bedding werd verdiept, de bouwvallige stuw in Werchter volledig verwijderd; de ontwateringsgrachten werden aan hun monding in de Demer voorzien van duikers met terugslagkleppen. Er werden nog twee grote bochten afgesneden: in Werchter (Blaasbroek) en in Nieuwland (Betekom).Volgens de nota Roovers moest de Demer vooral vóór Aarschot rigoureus aangepakt worden, wat gedeeltelijk ook gebeurde. Even voor Aarschot was in 1972 een grote bocht afgesneden en werd de Demer ingedijkt.
De monding van de Motte in de Demer werd op die manier verlegd en de eeuwenoude open verbinding met de Grote Laak werd verbroken. Nog verder stroomopwaarts ligt nu het laatste stuk niet ingedijkte Demer - ongeveer 2 km. Rechttrekken en indijken van een waterloop noemt men ook ‘normaliseren
Tussen Diest en Zichem werd de Demer ongeveer 20 jaar geleden genormaliseerd en werden voor het eerst dijken aangelegd.

De waterkwaliteit in het Demerbekken gaat er de laatste jaren stelselmatig op vooruit maar toch is er nog veel werk aan de winkel. Het Demerbekken heeft een aantal specifieke eigenschappen die mee verantwoordelijk zijn voor die waterkwaliteit.
Erosie op het Haspengouwse plateau en het heuvelende Hageland heeft een invloed op de zwevende stoffen.
De bestrijdingsmiddelen in de intensieve fruitteelt op grote oppervlakten van Zuid-Limburg en Oost-Brabant hebben een invloed.
Het bedrijf Tessenderlo Chemie beïnvloedt het zoutgehalte en zorgt voor te hoge bariumconcentraties. Tessenderlo Chemie verzorgt de productie van verscheidene soorten chemische producten. Tessenderlo Chemie is één van de grootste lozers in het Demerbekken (vooral op de Laak en de Winterbeek via de smeerpijp). Hoewel dit afvalwater - op de
chloriden na - tegenwoordig vrij goed gezuiverd is, gaat het omwille van het hoge debiet (gemiddeld 14.996 m3 per dag) toch om een aanzienlijke vracht. Het zijn vooral de zoutlozingen die het ecosysteem grote schade toebrengen. Ze zijn voelbaar in de Demer tot Werchter en zelfs verder stroomafwaarts in de Dijle. Dit extreem zoute afvalwater kan doorsijpelen tot naar het diepere grondwater, met alle gevolgen van dien voor de drinkwatervoorziening. Dit zoute afvalwater zorgt er ook voor een verzilting van het zoet oppervlaktewater, met zware gevolgen voor de zoetwatervissen. De smeerpijp die het zoute afvalwater van Tessenderlo Chemie (TC) afvoert naar de Laak en de Winterbeek heeft voor jarenlange controverse gezorgd omwille van de grote
vervuiling die ze veroorzaakt. Ovam, de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij, stelde intussen vast dat grote delen van beide beekvalleien zeer ernstig vervuild zijn, tot heel diep in de grond. TC wil het lozingspunt nu verleggen naar de Winterbeekmonding in de Demer met de filosofie dat het debiet van de Demer groot genoeg is om deze zoutwaterlozing probleemloos op te vangen. Daarbij stelt het dat de waterkwaliteit verandert naar die van zeewater en dat vele organismen zich daar probleemloos kunnen aan aanpassen.
De Demer is biologisch dus niet dood, maar zal mettertijd een compleet andere fauna en flora herbergen die deels vergelijkbaar zijn met die uit mariene milieus. Milieu- en natuurbeschermers zijn hier niet zo mee akkoord en vrezen een belangrijke discussie, waar het laatste woord nog niet gevallen is. Insiders vrezen dat het bedrijf de nieuwe milieuvergunning voor lozing in de Demer probleemloos zal krijgen, al moet nog een heel procedureel parcours worden afgelegd. Als TC de vergunning niet krijgt, stelt het dat een deel van de werkgelegenheid in het gedrang komt.

Op de site van VMM (De Vlaamse Milieu Maatschappij) vind je ook extra informatie over de Heraanleg van de Demer door Diest en ook heel wat historische gegevens.

 

De stadswallen

werden opgericht rond 1365.
Diest kende ook een grote lakennijverheid maar rond 1450 begon dat te slabakken en door werkloosheid trokken veel mensen weg. Ook ten gevolgen van pestepidemieën slabakte de bevolking van 10.000  naar 6000. Toen de lakennijverheid wegviel kon de ledernijverheid het verlies wat wegwerken.
Nederlanders en Spanjaarden vielen achtereenvolgens de stad in en door overmatige eisen van de invallers trokken veel mensen weg. In 1600 woonden er nog 4000 mensen.

Sint Sulpitiuskerk (1321), werd ontworpen door een Frans Architect
Heel wat kunstenaars uit Diest maakten beelden, wandtapijten voor de Kerk maar ook voor tal van klooster, kapellen en kerken uit de omgeving.
Refugehuis abdij van Averbode:
Dit voormalig refugehuis, in bak- en ijzerzandsteen, van de Norbertijnen van Averbode dateert uit de zestiende eeuw. De poort met de laatgotische heiligen nis in witte steen is nog oorspronkelijk. Net als de halve trapgevel links en de indrukwekkende trapgevel rechts. Van veel later is de langsgevel met het veelhoekig traptorentje in neostijl (circa 1935).
Het gebouw is in particuliere handen sinds 1797. Via een stenen trap in de grote binnenkoer betreed je het hoofdgebouw. Boven de deur zie je het in witte steen gebeitelde wapenschild van abt Servatius Vaes (1647-1698). Deuren en ramen hebben een omlijsting in witte- en ijzerzandsteen. Drie deuren bieden toegang tot het overwelfde souterrain.
Toevlucht
De Witheren van Averbode zouden al sinds het begin van de vijftiende eeuw een refugehuis in Diest gehad hebben. In tijden van onrust zochten ze er toevlucht.
Net zoals de Norbertijnen van Tongerlo in hun refugehuis wat verderop: Het Spijker.
Er is in de Hasseltsestraat nog een refugehuis De Witte Engel van de abdij van Corsendonck

Het Spijker - Diest

Het Spijker is een prachtig gebouw en was vroeger een refugiehuis en graanopslagplaats van de abdij van Tongerlo. Het Dateert uit de 16de eeuw en werd gebouwd aan de splitsing van de Demer. Het gebouw deed ook dienst om de tienden van het graan in op te slaan. 
Als geestelijk bestuur van de stad hadden de kloosterlingen het recht op de zogenaamde tienden, een vorm van belastingen heffen. Deze tienden werden o.a in graan uitbetaald.
Daarom werd het ook het Spijker genoemd. Want Spicarium is Graanzolder in het Latijn. En dit verklaart waarom er zo veel ophaalvensters en dakluiken in de westervleugel van het gebouw staan. De waterpartij rond het refugiehuis is nog een restant van de Demer, die hier niet werd gedempt. Hier kwamen de twee Demerarmen die zich juist achter de Ezeldijkmolen splitsen opnieuw samen.
Het Spijker was natuurlijk ook een Refugiehuis waar de monniken een veilig onderkomen vonden in woelige tijden of als zij gewoon in Diest verbleven. 
Vandaag de dag is het Spijker helemaal gerestaureerd en ingericht als hotel. Het binnenplein is toegankelijk. Maar het gebouw zelf is enkel toegankelijk voor de hotelgasten.


1830


Als toemaatje wil ik er nog aan toevoegen dat in 1830 België zich afscheurde van de Nederlanders omdat ze de arrogantie en uitbuiting van de Nederlanders beu waren.